Rb. Limburg 4 november 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:9335

Kort geding. Vonnis in bodemprocedure - waarin o.a. tijdstip waarop de huurovereenkomst zal eindigen en tijdstip van ontruiming zijn vastgesteld - op grond van artikel 7:272, eerste lid BW niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Een uitvoerbaar bij voorraad verklaring kan wel plaatsvinden in uitzonderlijke door de eiser aan te voeren omstandigheden. Van eiser in kort geding mag, nu in de bodemprocedure uitdrukkelijk op de vordering tot uitvoerbaar bij voorraad verklaring is beslist, verwacht worden dat hij aan zijn - bij wijze van voorlopige voorziening - gevorderde ontruiming, feiten en omstandigheden ten grondslag legt die zich eerst na de uitspraak in de bodemprocedure hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing wordt afgeweken. Geen feiten en omstandigheden gesteld die dergelijke afwijking kunnen rechtvaardigen. Op basis van gestelde ook niet aannemelijk dat sprake is van misbruik van bevoegdheid om rechtsmiddelen aan te wenden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen