Rb. Limburg 8 januari 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:653
Deelgeschil. Verjaring vordering van slachtoffer van onrechtmatige daad jegens aansprakelijkheidsverzekeraar van pleger van onrechtmatige daad? Verzoeker lijdt op achtjarige leeftijd ernstige gebitsschade als gevolg van een onrechtmatige daad van zesjarige jongen. Enkele maanden na het voorval erkent de aansprakelijkheidsverzekeraar van de veroorzaker de aansprakelijkheid voor de schade, waarvan door een tandarts is vastgesteld dat deze over een lange periode aanleiding zal geven tot tandheelkundige behandelingen. De schade van verzoeker wordt, tot diens achttiende levensjaar, vergoed door zijn ziektekostenverzekeraar, maar daarna niet meer, omdat verzoeker niet meer is verzekerd voor de kosten van tandheelkunde. Als verzoeker 20 is, doet zich schade voor aan zijn gebit - die is terug te voeren op de onrechtmatige daad - waarvoor zijn ziektekostenverzekeraar geen dekking biedt. Derhalve ziet verzoeker zich genoodzaakt de kosten te verhalen op de aansprakelijkheidsverzekeraar van de veroorzaker van de schade. Deze doet volgens de rechtbank terecht een beroep op verjaring van de vordering. Verzoeker heeft gedurende een periode van twaalf jaar na het voorval geen vordering tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar ingesteld en de lopende verjaring ook niet gestuit. De rechtbank verwerpt de stellingen van verzoeker dat de aansprakelijkheidsverzekeraar geen beroep toekomt op verjaring. Verzoeker had daartoe gesteld dat de verzekeraar niet in zijn bewijspositie is geschaad door de late vordering, dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van de verjaring en dat niet kan worden gezegd dat de vermogenspositie van verzekeraar niet meer is ingericht op nakoming van de verbintenis tot schadevergoeding.
De uitspraak op rechtspraak.nl