Rb. Limburg 14 juli 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:5916
WGBZ: verzet tegen wijze vaststelling griffierechten - discriminatie natuurlijk- en rechtspersoon bij vaststelling griffierecht. De Rechtbank bekrachtigt de opvatting van de griffier dat hoofdsom, te becijferen verschenen (handels-)rente en buitengerechtelijk incassokosten als in de dagvaarding vermeld, gesaldeerd moeten worden ter bepaling van “de hoogte van de vordering”. De bewoording “de vordering” zie, mede uit historische grond, op al hetgeen in het petitum is vermeld. De rechtbank verwerpt opposantes visie dat de WGBZ ingevolge het INVBPR en EVRM discrimineert tussen natuurlijke en rechtspersonen. Discriminatie kan alleen binnen een groepsentiteit, niet tussen twee verschillende rechtsentiteiten.
De uitspraak op rechtspraak.nl