Rb. Limburg 14 januari 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:324
Een advocatenkantoor is niet bevoegd vorderingen die zij heeft op de Raad voor de Rechtsbijstand aan de bank te verpanden, omdat zij geen schuldeiser van de Raad is. Op grond van artikel 37, eerste lid onder a, in samenhang met artikel 1, eerste lid van de Wet op de Rechtsbijstand, wordt een vergoeding voor door hem op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand verleend aan de advocaat. Het is dan ook de advocaat die ter zake een vorderingsrecht heeft op de Raad. Artikel 37a van de Wet op de Rechtsbijstand en de door de bank gestelde feitelijke gang van zaken op advocatenkantoren in heel Nederland biedt onvoldoende aanwijzing voor de opvatting dat het advocatenkantoor schuldeiser is naast de advocaat, zodat van pluraliteit van schuldeisers in de zin van artikel 6:16 BW evenmin sprake is.
De uitspraak op rechtspraak.nl