Rb. Limburg 2 april 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:2779
De directeur van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW) heeft als heffingsambtenaar van de gemeente Roermond een aanslag precariobelasting opgelegd. De directeur is door het dagelijks bestuur van de BsGW aangewezen als heffingsambtenaar van de gemeente Roermond. Volgens de Gemeenschappelijke Regeling BsGW houdt toetreding tot de Gemeenschappelijke regeling BsGW in dat het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid tot aanwijzing overdraagt aan het dagelijks bestuur van de BsGW. De rechtbank is van oordeel dat het dagelijks bestuur van de BsGW niet bevoegd was om de directeur van de BsGW als heffingsambtenaar van de gemeente Roermond aan te wijzen. De bevoegdheid tot aanwijzing van een heffingsambtenaar berust namelijk bij het college van burgemeester en wethouders en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond heeft geen besluit tot toetreding tot de GR BsGW genomen. De directeur van de BsGW was dus niet bevoegd de aanslag precariobelasting op te leggen. De rechtbank concludeert tevens dat ook de colleges van andere gemeenten die deelnemen aan de BsGW geen toetredingsbesluiten hebben genomen. De rechtbank passeert het bevoegdheidsgebrek in de onderhavige zaak met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, nu volgens de rechtbank belanghebbenden hierdoor niet worden benadeeld en onvoldoende aanleiding bestaat om aan te nemen dat verweerder het vereiste van een collegebesluit en publicatie daarvan bewust negeert. De rechtbank overweegt met het oog op beroepszaken inzake andere besluiten van de directeur van de BsGW dat voormelde rechtsnormschending binnen afzienbare tijd dient te eindigen. De rechtbank geeft aan dat zij het bevoegdheidsgebrek bij deze besluiten eveneens zal passeren indien ze zijn of worden genomen vóór 1 oktober 2015.
De uitspraak op rechtspraak.nl