Rb. Limburg 18 december 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:10769

Trefwoorden: procesrecht, huurcommissie, kantonrechter, bestuurlijke rechter, bevoegdheid. Samenvatting: Op de bij de Huurcommissie door de verhuurder gestarte procedure is de rechtsgang en de daarmee gepaard gaande rechtsmiddelen van toepassing die wordt beschreven in (onder meer) artikel 7:253, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), artikel 7:262 van het BW en artikel 20, zesde en zevende lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (Uhw). Eisers zullen deze dwingend voorgeschreven rechtsgang moeten doorlopen. Enkel wanneer in de loop van deze procedure besluiten (in de zin van de Awb) worden genomen die eisers niet (uiteindelijk) bij de kantonrechter aan de orde kunnen stellen, bestaat er aanleiding om ter zake bevoegdheid van de bestuursrechter aan te nemen. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 maart 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BC7604) en 18 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX1841). Anders dan eisers stellen zal de kantonrechter bij een procedure op grond van artikel 7:262 van het BW aandacht besteden aan de vraag of de (juiste) verhuurder tijdig de procedure op grond van artikel 7:253 van het BW heeft ingezet. Dit is immers de rechtsingang voor de bij hem voorliggende zaak en een verplicht voortraject voor de procedure. Er moet voldaan zijn aan de toepasselijke, dwingend wettelijke bepalingen en de daarin genoemde termijnen, alvorens de kantonrechter op de inhoud van de zaak zal kunnen ingaan. Aangezien de kantonrechter zich over het door eisers aangedragen onderwerp kan uitlaten, en er een dwingend voorgeschreven rechtsgang bestaat, is de bestuursrechter niet bevoegd om van de inhoud van de zaak kennis te nemen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken