Rb. Limburg 8 oktober 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:8523

Geschil over de vraag of eisers op grond van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de WW werknemer waren in de zin van de WW. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY9295) en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 januari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:227) heeft de rechtbank vastgesteld dat eisers voldoen aan de criteria om een privaatrechtelijke dienstbetrekking aan te nemen. Partijen verschillen echter van mening of eisers aan te merken zijn als directeuren-grootaandeelhouder. Onder verwijzing naar overweging 3.5.2. van het genoemde arrest van de Hoge Raad heeft de rechtbank geoordeeld dat, anders dan verweerder betoogt, de Hoge Raad een grammaticale uitleg niet enkel voorstaat bij de beoordeling of sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling aanwijzing directeur grootaandeelhouder (de Regeling). Gegeven het oordeel van de rechtbank dat een beperkte en grammaticale uitleg zich uitstrekt over de Regeling als zodanig, heeft de rechtbank vervolgens geen aanleiding gezien voor het oordeel dat waarin de Regeling wordt gesproken over ‘aandelen’ en ‘aandeelhouders’, daaronder tevens ‘gecertificeerde aandelen’ en ‘houders van gecertificeerde aandelen’ kunnen worden verstaan. Nu eisers geen aandeelhouders zijn, maar enkel in het bezit zijn van de certificaten van de aandelen, zijn zij reeds daarom niet aan te merken als directeuren-grootaandeelhouders in de zin van de Regeling. Ook indien uit moet worden gegaan van een ruimere uitleg van de duiding ‘aandelen’ en ‘aandeelhouders’ in de Regeling, komt de rechtbank niet tot de conclusie dat eisers zijn aan te merken als directeuren-grootaandeelhouders. Beroepen gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken