Rb. Limburg 22 september 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:8158

X en Y zijn werkend aangetroffen in de onderneming van eiseres (restaurant) en ook uit hun verklaringen blijkt dat zij daar werkzaamheden verrichten. Voor verweerder bestond op grond van artikel 18b, derde lid, van de Wmm dan ook een wettelijk vermoeden van werknemer- en werkgeverschap tussen Y, X en eiseres. Verweerder was dus bevoegd om van eiseres stukken te verlangen waaruit het aan X en Y betaalde loon en vakantiebijslag en het aantal door hen gewerkte uren blijkt. Voldoet eiseres hier niet aan, dan is ingevolge artikel 18b, tweede en derde lid, van de Wwm sprake van een beboetbare overtreding. Dit is blijkens de parlementaire geschiedenis bij die bepaling anders als eiseres het rechtsvermoeden van werkgeverschap kan weerleggen. Eiseres heeft daartoe onderbouwd gesteld dat geen sprake is van een dienstbetrekking in de zin van de Wmm. De rechtbank overweegt dat voor de vaststelling dat een dienstbetrekking bestaat aan alle elementen van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht moet zijn voldaan. Ingevolge artikel 7:610, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek dient er dan voor de werkers een verplichting te bestaan om gedurende een zekere tijd arbeid te verrichten, doet zich bij de uitvoering daarvan een gezagsrelatie voor en wordt er loon ontvangen als bedongen tegenprestatie voor de verrichte arbeid. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het feit dat de vennoten met X en Y een affectieve relatie hebben en een gezin vormen en dat X en Y meewerkende partners zijn, bij de uitvoering van de arbeid door X en Y geen sprake is van een gezagsverhouding tussen hen en de vennoten van eiseres. Daarnaast is blijkens de verklaringen ook niet voldaan aan het vereiste van loon als bedongen tegenprestatie voor de door X en Y verrichte arbeid. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan alle elementen om een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wmm aan te nemen tussen eiseres enerzijds en X en Y anderzijds. De rechtbank overweegt verder dat verweerder het eiseres nagenoeg onmogelijk heeft gemaakt om het rechtsvermoeden van werkgeverschap te weerleggen door vast te blijven houden aan het standpunt dat een affectieve relatie en een fiscaal partnerschap een dienstbetrekking niet uitsluit. Eiseres heeft immers niet enkel volstaan met een blote ontkenning dat sprake is van een dienstbetrekking. Zij heeft met stukken onderbouwd dat sprake is van een gezamenlijke huishouding tussen de vennoten en X en Y, en dat X een meewerkende partner is. Door hier met een algemene motivering aan voorbij te gaan legt verweerder een te zware bewijslast op eiseres en miskent verweerder dat de overgelegde stukken een concrete onderbouwing (kunnen) vormen voor het ontbreken van onder meer een gezagsverhouding.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken