Rb. Limburg 12 mei 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:4299
Bij besluit van 1 november 2012 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties de woningstichting de aanwijzing gegeven om de gerechtelijke procedure tegen het voormalig bestuur en de leden van de voormalige Raad van Toezicht van de stichting voort te zetten. Bij besluit van 14 juni 2013 heeft de Minister de aanwijzing ingetrokken. Bij besluit van 30 juni 3013 heeft de Minister, met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bezwaar van de stichting van rechtswege mede betrokken bij het besluit van 14 juni 2013 en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens ontvallen van procesbelang. De Minister heeft de woningstichting een vergoeding voor de proceskosten in bezwaar toegekend, maar het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft het beroep van woningstichting gegrond verklaard, omdat er wel degelijk een belang bestond bij de beoordeling van het bezwaar. Vervolgens heeft de rechtbank, zelf voorziend, de besluiten van 1 november 2012 en 14 juni 2013 herroepen.
De uitspraak op rechtspraak.nl