Rb. Limburg 9 mei 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:4270
Verweerder hanteert bij verzoeken om de betalingsverplichting van de servicekosten vast te stellen de regel dat bij een geringe afwijking van de afrekening van de verhuurder, de huurder in het ongelijk wordt gesteld. De rechtbank is van oordeel dat de toepassing van deze beoordeling in het geval van eiser te algemeen is. Uit het bestreden besluit, noch uit het primaire besluit blijkt dat verweerder heeft gelet op de strekking van het verzoekschrift, zoals artikel 7, tweede lid, van de Uhw vereist. Gelet op de strekking van het verzoekschrift is eiser volledig in het gelijk gesteld, zodat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser de in het ongelijk gestelde partij is. Voor zover verweerder betoogt dat volgens de interne gedragslijn eiser de in het ongelijk gestelde partij is, omdat de door verweerder vastgestelde betalingsverplichting niet meer dan 10% afwijkt van hetgeen door verhuurder in rekening werd gebracht, overweegt de rechtbank dat de interne gedragslijn in zoverre in strijd is met het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van de Uhw.
De uitspraak op rechtspraak.nl