Rb. Limburg 19 december 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:11164
De rechtbank stelt vast dat de ingediende vordering tot tenuitvoerlegging is gebaseerd op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Deze bepaling ziet op de tenuitvoerlegging van straffen en niet op de tenuitvoerlegging van maatregelen, zoals de thans gevorderde tenuitvoerlegging van een ISD-maatregel. Voor de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel is evenwel artikel 38r Sr van toepassing, welke bepaling niet in de vordering is opgenomen. Titel IIC van het vierde boek van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor de behandeling van de onderhavige vordering een andere procedure voor dan voor de behandeling van een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf. Zo wordt een vordering ex artikel 38r Sr behandeld in openbare raadkamer en niet (zoals een vordering ex artikel 14g Sr) ter terechtzitting. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat de laatste niet-ontvankelijk is in de vordering zoals die nu aanhangig is gemaakt.
De uitspraak op rechtspraak.nl