Rb. Limburg 5 juli 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:4124
Verweerder stelt zich op het standpunt dat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de aangevraagde bouwvergunning voor onder meer het realiseren (verplaatsen) van een woonwagen (mede) zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte op het standpunt dat voldoende is aangetoond dat eiser in relatie staat tot strafbare feiten, omdat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen eiser en zijn vader. Het enkele feit dat sprake is van een familiaire relatie tussen eiser en zijn vader is daartoe onvoldoende. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het feit dat eisers vader en eisers broer lange tijd gezamenlijk actief zijn geweest in de autobranche evenmin tot de conclusie dat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen eiser en zijn vader. Deze feiten betreffen immers niet eiser. Voorts hebben de vier door FIU-nl als verdacht aangemerkte stortingen van eisers vader aan Cars plaatsgevonden voordat eiser bestuurder van Cars was. Eiser was slechts bestuurder van Cars ten tijde van de detentie van zijn vader en uitsluitend gedurende een korte periode van 25 juli 2006 tot en met 1 oktober 2007. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, in navolging van het LBB, niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze omstandigheden als zodanig en in onderlinge samenhang bezien tot het oordeel leiden dat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen eiser en zijn vader. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl