Rb. Limburg 5 juli 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:4123

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de aangevraagde bouwvergunning voor onder meer het realiseren (verplaatsen) van een woonwagen (mede) zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Door partijen is niet betwist en de rechtbank stelt vast dat voor de exploitatie van het in de woonwagen gevestigde kledingbedrijf van eiseres geen vergunning nodig is. Voor de exploitatie van de onderneming als zodanig kan het Bibob-instrumentarium derhalve niet (zelfstandig) worden ingezet. Naar het oordeel van de rechtbank liggen de activiteiten verplaatsen van de woonwagen, waarop de bouwvergunning ziet, en het (niet vergunningplichtig) exploiteren van de kledingzaak niet in elkaars verlengde, waardoor niet aan het voor toepassing van het Bibob-instrumentarium geldende samenhangvereiste is voldaan. Door partijen is niet betwist dat de door het LBB geconstateerde feiten voornamelijk zijn gepleegd bij de exploitatie van een autohandel. Voorts is door partijen niet betwist dat hetgeen in de bouwvergunning is aangevraagd reeds geruime tijd is gerealiseerd en dat hierbij geen strafbare feiten hebben plaatsgevonden. Tevens heeft de aangevraagde bouwvergunning slechts betrekking op het verplaatsen van een reeds bestaande kledingzaak en houden de gepleegde strafbare feiten daarmee geen verband. Gelet hierop bieden de in de adviezen van het Landelijk Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur opgenomen feiten en omstandigheden naar oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de bouwvergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen