Rb. Leeuwarden 20 juli 2006, ECLI:NL:RBLEE:2006:AY5012
Toepassing van artikel 8 van het Inkomensbesluit AOW 1996, meer in het bijzonder de vraag aan welke periode het inkomen uit onderneming van de partner van de pensioengerechtigde ingeval van een gebroken boekjaar moet worden toegerekend. Ingevolge bedoelde bepaling wordt het inkomen uit of in verband met arbeid uit het bedrijfs- of beroepsleven vastgesteld op het tot een bedrag per maand herleide inkomen, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 7, dat de echtgenoot van de pensioengerechtigde in de maand waarover het recht op uitkering wordt vastgesteld, verwerft. Hoewel in dezen voor de bepaling van de (omvang van de) winst de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing is, volgt de Sociale verzekeringsbank naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte de Belastingdienst waar die het bedrijfsresultaat over een gebroken boekjaar in zijn geheel toerekent aan het kalenderjaar waarin het boekjaar eindigt. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit artikel 8 van het Inkomensbesluit AOW 1996 dat ingeval van een gebroken boekjaar, bij de beoordeling (per maand) van het recht op een toeslag op het ouderdomspensioen, het bedrijfsresultaat moet worden toegerekend aan (de maanden van) het betreffende boekjaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl