Rb. Leeuwarden 1 februari 2006, ECLI:NL:RBLEE:2006:AX3239
Een zustervennootschap van een advocatenkantoor heeft een kantoorpand gekocht nadat daarop door de bank beslag was gelegd. Het verzoek tot het leggen van beslag is bij de rechtbank ingediend door een advocaat van dat kantoor. De eigenaar van het pand is van mening dat het pand vanwege het gelegde beslag onder de normale marktprijs is verkocht en dat de zustervennootschap van die situatie op de hoogte was. De eigenaar vordert daarom dat voor recht wordt verklaard dat de overeenkomst nietig is. De rechtbank oordeelt dat het pand is gekocht terwijl daarop nog beslag rustte. Daarom was op dat moment een geding aanhangig en heeft het advocatenkantoor middels de zustervennootschap het pand in strijd met artikel 3:34 BW verkregen. In elk geval voor leken kan de schijn gewekt zijn dat de zustervennootschap belang had bij het voortduren van het beslag. De overeenkomst is daarom nietig.
De uitspraak op rechtspraak.nl