Rb. Leeuwarden 12 april 2006, ECLI:NL:RBLEE:2006:AW1801

Drie broers stellen de bank aansprakelijk voor door hen geleden schade als gevolg van riskante beleggingen met geleend geld. Volgens de broers is de bank toerekenbaar tekort geschoten in de zorgplicht die de bank jegens hen had. De bank acht zich niet aansprakelijk onder meer omdat zij de broers geen beleggingsadviezen gaf, maar slechts de door hen opgegeven orders uitvoerde. De rechtbank is van oordeel dat de bank op een aantal punten tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht. Zo had de bank de broers moeten waarschuwen voor het feit dat de neerwaartse koersrisico's niet meer waren afgedekt met langlopende putopties en dat derhalve niet meer werd voldaan aan de in de kredietovereenkomst door de bank gestelde voorwaarde van "verzekerd beleggen". In elk geval had de bank zich ervan moeten vergewissen -zeker nu met geleend geld werd belegd- dat de broers zich hiervan bewust waren. De rechtbank is voorts van oordeel dat de bank onzorgvuldig heeft gehandeld door steeds extra kredietfaciliteiten te verstrekken -waarvan het plafond onduidelijk werd- zonder daarbij voldoende oog te hebben voor de belangen en de risico's van de broers. De rechtbank acht de bank aansprakelijk voor een vijfde deel van de schade. De rechtbank overweegt daartoe dat de broers, die als ervaren beleggers dienen te worden aangemerkt en er zelf voor hebben gekozen om met geleend geld te gaan beleggen, eigen schuld kan worden verweten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen