Rb. Leeuwarden 25 februari 2002, ECLI:NL:RBLEE:2002:AD9575
Verweerder heeft ten onrechte tot toepassing van art. 30a.1.c ZW besloten, nl. op een moment, dat daarvoor op grond van de hem inmiddels bekende feiten geen feitelijke grond meer aanwezig was. Eiser ontvangt sedert 27 juni 2000 ziekengeld. Op 18 september 2000 heeft eiser aangegeven dat hij tot april 2001 naar zijn vaderland Pakistan wilde. De verzekeringsarts heeft eiser echter toestemming gegeven om daar tot 21 december 2000 te blijven. Op laatstgenoemde datum moest eiser op het spreekuur komen. Eiser is daar echter niet verschenen, zodat verweerder eisers ZW-uitkering met ingang van die datum heeft geweigerd. Eiser stelt dat hij vanuit Pakistan faxen heeft verstuurd met de redenen waarom hij niet op het spreekuur kon verschijnen. De rechtbank is niet tot de overtuiging kunnen komen dat verweerder de faxen van eiser uit Pakistan op 19 december 2000 heeft ontvangen. Niet kan worden gezegd dat eiser aan zijn mededelingsplicht op grond van art. 49 ZW heeft voldaan, nu hij niet tijdig heeft doorgegeven dat hij niet op het spreekuur van 21 december 2000 kon komen. Ondanks het vorenstaande kan het besluit van verweerder in rechte geen stand houden. Vast staat dat verweerder, toen hij op 21 juni 2001 alsnog overging tot de toepassing van art. 30a lid 1 aanhef en onder c ZW, inmiddels wél in het bezit was van meergenoemde faxen. Deze heeft eiser immers in ieder geval op 12 maart 2001 bij verweerder ingeleverd. Bovendien was eiser op laatstgenoemde datum alsnog op het spreekuur verschenen. Bovendien heeft verweerder blijkens het primaire besluit van 29 mei 2001 eerst het standpunt ingenomen dat eiser zonder bericht van verhindering niet op het spreekuur was verschenen, zodat er op grond van art. 45 ZW een maatregel moest worden opgelegd. Eerst bij zijn brief van 21 juni 2001 heeft verweerder zich alsnog op het standpunt gesteld dat art. 30a lid 1 aanhef en onder c ZW moest worden toegepast, omdat het recht op ziekengeld met ingang van 21 december 2000 niet kon worden vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter, ondanks het feit dat eiser zijn verplichting op grond van art. 49 ZW niet is nagekomen, niet worden volgehouden dat eisers recht op ziekengeld per 21 december 2000 niet meer kon worden vastgesteld. De verzekeringsarts had namelijk alsnog, op 12 maart 2001 of daarna, kunnen onderzoeken of eiser ingaande 21 december 2000 nog ongeschikt was en recht op ziekengeld had en of de faxen voor eiser een geldige reden inhielden om niet op het spreekuur van 21 december 2000 te verschijnen. Verweerder heeft dus tot toepassing van art. 30a lid 1 aanhef en onder c ZW besloten op een moment, dat daarvoor op grond van de hem inmiddels bekende feiten geen feitelijke grond meer aanwezig was. Beroep gegrond; bestreden besluit wegens strijd met art. 30a lid 1 aanhef en onder c ZW vernietigd; verweerder dient nieuw besluit te nemen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 30a ZW
- Artikel 45 ZW
- Artikel 49 ZW
- Artikel 8:70 Awb
- Artikel 8:74 Awb
- Artikel 8:75 Awb
- Artikel 9 Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
- Artikel 11 Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
- Artikel 17 Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen