Rb. Leeuwarden 15 februari 2002, ECLI:NL:RBLEE:2002:AD9315

Eiser heeft een persoonsgebonden budget (PGB) aangevraagd. Gebleken is dat eiser met alles geholpen moet worden. Zijn echtgenote verzorgt hem al jaren, maar wil dit nu via een PGB doen. Het Regionaal Indicatie Orgaan Noord-Friesland (RION) heeft een indicatiebesluit afgegeven. Daarin wordt het verzoek van eiser afgewezen, omdat de mantelzorg geen uitval of tekorten heeft om hulp te verlenen. Verweerder heeft, overeenkomstig het standpunt van het RION, geweigerd om eiser een PGB toe te kennen, onder de vermelding dat bij het RION bezwaar kan worden gemaakt tegen het indicatiebesluit. 1. Awb: Advisering door Regionaal Indicatie Orgaan is niet in strijd met art. 3:9 Awb. 2. Materieel: De door het RION als uitgangspunt genomen "Algemeen Aanvaarde Standaard Gezinsverzorging" van mei 1996 niet onredelijk of anderszins onaanvaardbaar. Afwijzing persoonsgebonden budget (PGB) omdat de mantelzorg geen uitval of tekorten heeft om hulp te verlenen. Besluit is tot stand gekomen na advisering door het Regionaal Indicatie Orgaan Noord-Friesland (RION), waarbij als uitgangspunt is gehanteerd de Algemeen Aanvaarde Standaard gezinsverzorging (AASV). De Rb. ziet niet in waarom het RION, na een feitelijk onderzoek, niet een inhoudelijk standpunt mag innemen ten aanzien van de advisering aan verweerder over een indicatiebesluit en daarbij bepaalde uitgangspunten in acht mag nemen. Het is vervolgens, gelet op art. 3:9 Awb, aan verweerder om zich ervan te vergewissen dat het RION een deugdelijk advies heeft uitgebracht op grond waarvan hij vervolgens zelf een besluit kan nemen over het al dan niet toekennen van een PGB. Aanvraag terecht afgewezen. 2. Afwijzing persoonsgebonden budget (PGB), omdat de mantelzorg geen uitval of tekorten heeft om hulp te verlenen. Het RION heeft bij het nemen van indicatiebesluiten als uitgangspunt genomen de "Algemeen Aanvaarde Standaard Gezinsverzorging" van mei 1996, inhoudende opvattingen en normen over de inzet van gezinsverzorging en ontwikkeld door het Verwey-Jonker Instituut in Utrecht (hierna: de AASV). In de AASV is (voor zover hier van belang) aangegeven dat het huishouden altijd primair verantwoordelijk blijft voor het eigen functioneren. Het verrichten van huishoudelijk verzorgende werkzaamheden door leden van het huishouden heeft volgens de AASV een verplichtend karakter. Van overname van taken door externe hulpverlening (al dan niet professioneel) is pas sprake wanneer de draagkracht zodanig is, dat overbelasting dreigt. Verder is in de AASV vermeld dat de eventuele overige volwassen leden van het huishouden zorgdragen voor de lichamelijke verzorging van de "uitvaller". Indien één van hen echter daarmee moeite heeft, wordt de lichamelijke verzorging door de externe hulpverlener overgenomen. De Rb. is verder van oordeel dat de in de AASV neergelegde uitgangspunten niet onredelijk of anderszins onaanvaardbaar zijn. Uit de AASV vloeit zeker niet, zoals namens eiser wordt gesteld, voort dat er nooit een PGB zou kunnen worden toegekend als er sprake is van mantelzorg. Voldoende duidelijk is immers dat de AASV rekening houdt met "afdwingbare" mantelzorg door gezinsleden en met "niet afdwingbare" mantelzorg door anderen. Voorts blijkt dat op grond van de AASV-normen wel degelijk een PGB zou kunnen worden toegekend, als blijkt dat de "interne" mantelzorg de situatie niet of onvoldoende aankan. Daarvan is i.c. niet gebleken. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen