Rb. Leeuwarden 19 januari 2001, ECLI:NL:RBLEE:2001:AB0217
Verbinden van een voorwaarde aan het in heroverweging genomen subsidiebesluit met betrekking tot 1999 welke ziet op 2000 is in strijd met de artikelen 4:37 en 4:38 Awb. Aan de subsidiebeschikking ten behoeve van het begrotingsjaar 1999 ten behoeve van de Stichting Rechtsbijstand Friesland (SRF) heeft verweerder de voorwaarde verbonden dat uiterlijk op 1 januari 2000 een volledige ontvlechting van de zgn. betalende praktijk gerealiseerd moet zijn. Het door SRF ingediende bezwaarschrift is deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Omdat de in de subsidiebeschikking genoemde termijn bij het nemen van het bestreden besluit reeds was verstreken, heeft verweerder besloten dat bij vaststelling van de subsidie over 1999 geen rekening zal worden gehouden met de vraag of de ontvlechting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Indien echter niet uiterlijk op 1 september 2000 is ontvlecht, zal verweerder per maand waarin niet aan die voorwaarde is voldaan, f. 37.500,- in mindering brengen op de subsidie. Bij het bestreden besluit is de in het primaire besluit vermelde termijn verschoven naar 1 september 2000, waarbij uitdrukkelijk is overwogen dat het niet voldoen aan de verplichting gevolgen zal hebben voor de subsidieverlening voor het jaar 2000, maar niet meer voor 1999. Het niet voldoen aan de verplichting tot ontvlechting kan derhalve geen gevolg meer hebben voor de omvang van de subsidie over 1999. Daarmee is het procesbelang ontvallen aan het beroep, voor zover dit is gericht tegen de aan de subsidieverlening over 1999 verbonden verplichting om per 1 januari 2000 te ontvlechten. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk. Uit de formulering in het primaire besluit dat SRF er rekening mee dient te houden dat vanaf het jaar 2000 de subsidie geheel of gedeeltelijk zal worden beëindigd leidt de rechtbank af dat verweerder hiermee slechts een voornemen tot uitdrukking heeft willen brengen om de subsidie over 2000 te zijner tijd, namelijk bij de subsidiebeschikking voor het begrotingsjaar 2000, te weigeren. Er is geen woord gewijd aan de consequenties die het niet voldoen aan de eis tot ontvlechting zal hebben voor de subsidie over het jaar 2000. Aan de subsidiebeschikking voor 1999 is bij het primaire besluit derhalve geen verplichting verbonden die op de subsidieverlening voor 2000 betrekking heeft. Bij het bestreden besluit heeft verweerder evenwel besloten dat uiterlijk op 1 september 2000 de ontvlechting plaatsgevonden moet hebben, bij gebreke waarvan consequenties worden verbonden aan de te verlenen subsidie voor 2000. De door verweerder gebezigde constructie komt er op neer dat aan het in heroverweging genomen besluit met betrekking tot het begrotingsjaar 1999 een verplichting is verbonden die ziet op het begrotingsjaar 2000. De rechtbank acht deze wijze van besluitvorming in strijd met de artikelen 4:37 en 4:38 Awb. Hieruit vloeit immers voort dat alleen verplichtingen kunnen worden opgelegd met betrekking tot de subsidie, die het onderwerp is van de subsidiebeschikking. Bovendien is het bezwaarschrift slechts gericht tegen de subsidiebeschikking voor 1999 en heeft het geen betrekking op de subsidieverlening voor 2000. De rechtbank is daarom van oordeel dat de beslissing inzake de ontvlechting per 1 september 2000 niet opgevat moet worden als een in heroverweging genomen besluit maar als een nieuw primair besluit, waartegen eerst bezwaar moet worden gemaakt. Rechtbank in zoverre onbevoegd. Beroepschrift wordt onder toepassing van art. 6:15 Awb doorgezonden naar verweerder.
De uitspraak op rechtspraak.nl