Rb. Leeuwarden 17 april 2000, ECLI:NL:RBLEE:2000:AA5790
Negatief competentiegeschil. Besluit inzake weigering eisers in aanmerking te brengen voor vermindering van belasting als bedoeld in art. 229d lid 1 aanhef en onder a Gemeentewet (oud). De Rb. ziet zich, gelet op het bepaalde in art. 8:6 lid 1 Awb, gesteld voor de vraag of zij bevoegd is om kennis te nemen van de beroepen. Uit de gedingstukken kan afgeleid worden dat eisers, die allen eigenaar zijn van een recreatiewoning op Ameland, geen bezwaar hebben gemaakt tegen de aanslag(en) voor de belastingjaren 1998 en/of 1999. In plaats daarvan hebben zij zich schriftelijk tot de ambtenaar gewend met het verzoek om hen alsnog in aanmerking te brengen voor de Zalm-snip. Een beslissing op deze verzoeken is niet een voor bezwaar vatbare beschikking in de zin van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, aangezien deze niet als zodanig in de wet is aangeduid. De mondelinge uitspraken van het gerechtshof bevatten niet de gronden van de beslissing. De Rb. houdt het ervoor dat de beslissingen zijn ingegeven door de gedachte dat tegen de primaire besluiten van de ambtenaar op grond van art. 23 lid 1 AWR geen bezwaar gemaakt kon worden omdat het hier niet gaat om een aanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit oordeel wordt door de Rb. gedeeld. Op grond van art. 26 lid 1 AWR (oud) in samenhang met art. 231 lid 2 aanhef en onder b Gemeentewet kan echter tegen de uitspraak van de ambtenaar op een bezwaarschrift beroep worden ingesteld. Hieraan doet niet af dat tegen de primaire besluiten geen bezwaar kon worden gemaakt. De Rb. verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad (Belastingkamer) van 1 maart 2000, gepubliceerd in JB 2000/62. Overigens zij opgemerkt dat deze uitspraak in overeenstemming is met vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die inhoudt dat tegen een beslissing op bezwaar altijd beroep kan worden ingesteld, ook als het primaire besluit geen besluit is in de zin van de Awb. De beoordeling van een beroep dient in zo'n situatie beperkt te blijven tot de vraag of het bestuursorgaan bij de beslissing op bezwaar tot een juist oordeel over de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift is gekomen. Op grond van het vorenstaande was het gerechtshof bevoegd om kennis te nemen van de beroepen. Art. 8:6 lid 1 Awb staat daarom in de weg aan kennisneming van de beroepen door de rechtbank. De Rb. zal zich dan ook onbevoegd verklaren. Terzijde overweegt de Rb. dat, indien art. 8:6 lid 1 Awb niet van toepassing zou zijn, zij zich op grond van art. 8:4 aanhef en onder g Awb onbevoegd zou moeten verklaren. Op grond van deze bepaling kan bij de algemene bestuursrechter geen beroep worden ingesteld indien het bestreden besluit is genomen op grond van een wettelijk voorschrift inzake belastingen. Nu beide administratieve rechters zich onbevoegd achten moet vastgesteld worden dat sprake is van een negatief competentieconflict. Op grond van art. 88 lid 1 aanhef en onder 5 Wet op de rechterlijke organisatie is de Hoge Raad bevoegd om over dit jurisdictiegeschil te oordelen, aangezien geen andere administratieve rechter daartoe bevoegd is. De Rb. zal -zodra deze uitspraak onherroepelijk is- daarom de gedingstukken alsmede de uitspraken van het gerechtshof en deze uitspraak in handen stellen van de Hoge Raad. De ambtenaar belast met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen op Ameland, verweerder. mr. D.J. Keur
De uitspraak op rechtspraak.nl