Rb. Haarlem 22 februari 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BX0935

promiss vonnis, gemotiveerde (partiele) vrijspraak, bewijsmiddelenverweer, CIE-informatie, bevel stelselmatige observatie, dwangmiddelen, medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod Verdachte is door de meervoudige strafkamer te Haarlem veroordeeld voor medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, de medeplichtigheid aan diefstal in vereniging waarbij de dader het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft bereik heeft gebracht door middel van verbreking en het medeplegen van het opzettelijk een elekriciteitsnetwerk genomen veiligheidsmaatregel te verijdelen, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was, allen meermalen gepleegd tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden. Verdachte is met zijn mededader gedurende een aanzienlijke periode behulpzaam geweest bij het opzetten van een groot aantal hennepkwekerijen, waaronder enkele zeer grote. Door zijn werk als electricien bij Liander was verdachte bij uitstek de persoon die het elektriciteitsnetwerk ten behoeve van deze hennepkwekerijen kon aansluiten en/of manipuleren. Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat de verstrekte CIE-informatie voldoende concreet en specifiek was en dus voldoende was voor het aannemen van het in artikel 27 Sv bedoelde redelijke vermoeden en daarmee voor de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden, waaronder het plaatsen van een telefoontap. De rechtbank merkt voorts op dat, anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, het tijdens een observatie gebruik maken van foto- of videoapparatuur niet onrechtmatig is, nu dit slechts op bescheiden schaal heeft plaatsgevonden ter aanvulling op de waarneming van de observant. Voor een dergelijk gebruik van foto- en videoapparatuur (op de openbare weg) tijdens de stelselmatige observatie is geen afzonderlijke toestemming van de officier van justitie vereist. Dit zou anders zijn indien op meer structurele basis structureel gebruik zou worden gemaakt van dergelijke apparatuur, waarbij een (statische) camera langdurig op een bepaald object of persoon wordt gericht. Daarvan is in casu echter niet gebleken. Nu de ingezette dwangmiddelen en de verlengingen daarvan alle na verkregen machtiging van de rechter-commissaris zijn ingezet en hij de inzet daarvan heeft kunnen toetsen op basis van de beschikbare informatie, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van enige schending van een recht van verdachte. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de uit de inzet van dwangmiddelen verkregen bewijsmiddelen niet voor het bewijs behoeven te worden uitgesloten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen