Rb. Haarlem 30 mei 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BW9858
Vermogensbeheer; vergunningplicht; zorgplicht; Safe Haven; cessie; deskundigenbericht; tussenvonnis. Vervolg op Rb. Haarlem 28-09-2010, LJN: BO0550 In het tussenvonnis van 28 september 2010 heeft de rechtbank een deskundigenbericht gelast. De deskundige heeft rapport uitgebracht over de veronderstelde handelwijze van de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE) in 1996 bij een melding door de Bank van het vermoedelijk optreden als vermogensbeheerder door Safe Haven zonder de vereiste vergunning. De rechtbank komt op basis van het deskundigenbericht – kort gezegd – tot de conclusie dat de STE de Bank zou hebben geadviseerd de relatie met Safe Haven te beëindigen en dat de STE aangifte zou hebben gedaan van een economisch delict waaraan de Bank (mogelijk) medeplichtig was. De Bank had de Rekening vervolgens per 15 oktober 1996 moeten sluiten. De rechtbank oordeelt dat de Stichting ontvankelijk is als ‘cessionaris ter incasso’. Deze in de rechtspraktijk als ‘cessie ter incasso’ aangeduide rechtsfiguur moet juridisch worden geduid als een lastgevingsovereenkomst ex artikel 7:414 BW. De Stichting is ontvankelijk in haar hoedanigheid van lasthebber van de beleggers. Het verbod tot het vorderen van schadevergoeding in geld ex artikel 3:305a BW staat hier niet aan in de weg, nu geen sprake (meer) is van een collectieve actie door de Stichting. De rechtbank oordeelt voorts dat de Bank onrechtmatig heeft gehandeld jegens de beleggers die vanaf 15 oktober 1996 gelden ter belegging op de Rekening hebben gestort. Het betoog van de Bank dat in diverse gevallen sprake is van professionele beleggers, wordt verworpen. In casu gaat het om met particulieren te vereenzelvigen vennootschappen als éénmans- of familie-bv’s. De rechtbank acht de schending van de zorgplicht toerekenbaar aan de Bank. Voorts neemt de rechtbank causaal verband aan tussen de schending van de zorgplicht en de (gesteld) geleden schade. Ook aan de relativiteitseis van artikel 6:163 BW is volgens de rechtbank voldaan; de bepalingen van de Wte 1995 strekken immers mede ter bescherming van de belangen van beleggers, waaronder het verlies van belegde gelden onmiskenbaar moet worden begrepen. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat de vanaf 15 oktober 1996 op de Rekening gestorte bedragen, met aftrek van de teruggestorte bedragen, als schade aangemerkt kunnen worden. De rechtbank draagt in diverse zaken de Stichting dan wel de individuele belegger op de gestelde schade nader toe te lichten en hieromtrent stukken in het geding te brengen. Ten slotte oordeelt de rechtbank dat de schade mede een gevolg is van het in de gegeven omstandigheden aanmerkelijk onvoorzichtig handelen van de beleggers. De vergoedingsplicht van de Bank wordt daarom in beginsel met 50% eigen schuld verminderd. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten en stukken hieromtrent in het geding te brengen. Volgt rolverwijzing voor het nemen van akten.
De uitspraak op rechtspraak.nl