Rb. Haarlem 24 januari 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BW1929
Aandeelhouders vorderen uitkering van dividenden. Op het aandelencertificaat en in de statuten is bepaald dat dividenden die binnen vijf jaar nadat zij opeisbaar zijn geworden, niet worden opgenomen, vervallen aan de vennootschap. Partijen zijn aan deze vervaltermijn gebonden. Ten aanzien van een vervaltermijn zijn de regels van verjaring niet van toepassing, zodat stuiting of schorsing van deze termijn niet mogelijk is. De termijn van vijf jaar is ten aanzien van alle gevorderde dividenden verstreken. Een vervaltermijn is een fatale termijn. De door de aandeelhouders gevorderde aanspraken op dividend zijn daarom vervallen. Het argument van de aandeelhouders dat zij niet eerder een vordering in rechte hadden ingesteld, omdat zij eerst de uitkomst van de andere procedures wilden afwachten, doet niet af aan de fatale karakter van de vervaltermijn van vijf jaar waarbinnen gedagvaard had moeten worden. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af.
De uitspraak op rechtspraak.nl