Rb. Haarlem 14 februari 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BV8946
Blijkens de gedingstukken zal de te bouwen windturbine een vermogen hebben van 2,3 MW. Dat betekent dat punt 1, onderdeel 1.1 van bijlage I van de Chw jo artikel 9b, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 niet van toepassing is. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het bouwplan ook niet kan worden geschaard onder onderdeel 1.5 van punt 1 van bijlage I van de Chw. In dit verband hebben eisers terecht betoogd dat dit onderdeel ziet op andere vormen van duurzame energie dan de onderdelen 1.1 tot en met 1.4 van punt 1 van bijlage I van de Chw en dat het niet zo kan zijn dat door toepassing van onderdeel 1.5 (in wezen een restcategorie) de aanleg van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie -die gegeven hun beperkte capaciteit niet uitkomen op of boven de in genoemde artikelen van de Elektriciteitswet 1998 neergelegde MW-ondergrenzen- alsnog onder het toepassingsbereik van de Chw worden gebracht. De conclusie luidt dat de Chw niet van toepassing is. Zowel het pro forma beroep als de beroepsgronden zijn tijdig ingediend. Het beroep van eisers is derhalve ontvankelijk, zodat de rechtbank nu toekomt aan het bespreken van de vraag of verweerder eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun bezwaren.
De uitspraak op rechtspraak.nl