Rb. Haarlem 15 februari 2012, ECLI:NL:RBHAA:2012:BV8727
Non-conformiteit tweedehands auto. In geval van consumentenkoop ontstaat de bevoegdheid van de koper om de koopovereenkomst te ontbinden pas wanneer de verkoper zijn verplichting om binnen redelijke tijd en zonder overlast voor de koper te zorgen voor vervanging van de afgeleverde zaak niet nakomt. De rechtbank is van oordeel dat de aangeboden auto niet heeft te gelden als een vervangende auto, omdat deze een andere kleur had, van een ander type was en een ander optiepakket had dan de overeengekomen auto, zodat daarmee vaststaat dat de aangeboden auto niet gelijkwaardig was aan die auto. Ook vanwege de aan het aanbod verbonden voorwaarde van finale kwijting behoefde eiser het aanbod van gedaagde niet te accepteren. De aanspraak op vervanging van een afgeleverde zaak laat het recht op schadevergoeding immers onverlet. Op 20 juli 2010 heeft de toenmalige gemachtigde van eiser per brief aan gedaagde medegedeeld dat indien gedaagde niet zou zorgen voor herstel van de auto, eiser de koopovereenkomst zou ontbinden. Eiser had vanaf dat moment rekening te houden met een mogelijke ontbinding van de koopovereenkomt, zodat op hem de zorgplicht ex artikel 6:273 BW kwam te rusten. Door daarna met de auto te blijven rijden heeft hij zijn zorgplicht geschonden en daarom is de waardevermindering van de auto vanaf 20 juli 2010 aan hem toe te rekenen, zodat hij daarvoor een vergoeding dient te voldoen. Gedaagde voert voorts aan dat zij op grond van artikel 11 van de tussen partijen toepasselijke algemene voorwaarden niet aansprakelijk is voor de door eiser gevorderde gevolgschade. Vooropgesteld zij dat eiser een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, zodat sprake is van consumentenkoop. Zoals ter comparitie met partijen besproken dient de rechter op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie (o.a. 4 juni 2009, C-243/08) ambtshalve te beoordelen of het beding waarop gedaagde zich beroept onredelijk bezwarend is. Op consumentenovereenkomsten is de Richtlijn 93/13/EEG inzake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn) van toepassing. In de Richtlijn is bepaald dat een oneerlijk beding de consument niet mag binden. Bij artikel 3 lid 3 van de Richtlijn is een indicatieve lijst gevoegd van mogelijk oneerlijke bedingen. Het beding waar het hier om gaat is een beding als bedoeld in onderdeel b van die lijst, welk beding ook is opgenomen in artikel 6:237 sub f BW en derhalve vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn. Het enkele feit dat gedaagde vervangend vervoer heeft aangeboden maakt, anders dan gedaagde heeft aangevoerd, niet dat het beding van artikel 11 van de algemene voorwaarden niet onredelijk bezwarend is. De conclusie is dat het beding onredelijk bezwarend is en daarom op grond van artikel 3:40 juncto 6:233 onder a juncto 6:237 sub f BW als nietig moet worden beschouwd.
De uitspraak op rechtspraak.nl