Rb. Haarlem 25 mei 2011, ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ6298
Contractspartijen, akte van cessie. Toepasselijk recht op grond van artikel 4 EVO. De rechtbank is van oordeel dat het vermoeden van lid 2 in het onderhavige geval niet het land aanwijst dat het nauwst betrokken is bij de overeenkomst. De overeenkomst is namelijk, alles in aanmerking nemend, het nauwst verbonden met Nederland, nu de opdrachtgever is gevestigd in Nederland en de expediteur een dochter is van een in Nederland gevestigde onderneming en de opdrachtgever bovendien aan deze Nederlandse moedermaatschappij diende te betalen. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat Nederlands recht van toepassing is. Gedaagde, (een Nederlandse B.V. met een Amerikaans moederbedrijf) verweert zich tegen de vordering omdat zij niet kan betalen nu de Amerikaanse embargoregels haar verbieden aan een Iranese rederij te betalen. De rechtbank kwalificeert de overeenkomst als een overeenkomst van expeditie als bedoeld in artikel 8:60 BW en verwerpt dit verweer met verwijzing naar artikel 8:66 lid 1 BW. Dit artikel bepaalt dat bij dit type overeenkomst de opdrachtgever verplicht is de expediteur omtrent de zaken alsmede omtrent de behandeling daarvan tijdig al die opgaven te doen, waartoe hij in staat is of behoort te zijn, en waarvan hij weet of behoort te weten, dat zij voor de expediteur van belang zijn, tenzij hij mag aannemen, dat de expediteur deze gegevens kent.
De uitspraak op rechtspraak.nl