Rb. Haarlem 10 november 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BP1998
Recht van erfpacht in 1847 gevestigd ten behoeve van een pakhuis. In de vestigingsakte is bepaald dat het perceel door een daad der sloping (van het pakhuis) weer in de volle en vrije beschikking van de eigenaar “terug keere”. In 1980 is het pakhuis door brand getroffen. Voor het geval de brand in 1980 en de eventuele opruimwerkzaamheden daarna als daad van sloping hebben te gelden als bedoeld in de vestigingsakte en de desbetreffende bepaling in de vestigingsakte een ontbindende voorwaarde is, die in dat geval zou zijn vervuld, zoals eisers heeft betoogd, geldt dat het recht van erfpacht ingevolge artikel 5:98 BW is blijven doorlopen en dat de eigenaar de verlengde erfpacht kan opzeggen met inachtneming van de termijn vermeld in artikel 5:88 BW. De stelling dat artikel 5:98 BW gelet op de tekst alleen van toepassing is als het recht van erfpacht voor een bepaalde tijd is gevestigd wordt verworpen. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 5:98 BW volgt dat dit artikel is opgenomen omdat bij gebreke van een bepaling de eigenaar de zaak rauwelijks zou kunnen opvorderen, ook wanneer de erfpachtsverhouding in feite geruime tijd is blijven doorlopen na het einde van de termijn, waarvoor het recht gevestigd was. Nu dit evenzeer geldt in het geval de erfpachtsverhouding blijft doorlopen na vervulling van een ontbindende voorwaarde waaronder het recht is gevestigd, valt niet in te zien dat deze bepaling alleen van toepassing is als de erfpacht is gevestigd voor een bepaalde tijd. Voor het geval de brand in 1980 en de eventuele opruimwerkzaamheden daarna niet als daad van sloping hebben te gelden als bedoeld in de vestigingsakte, betekent dit dat de eigenaar het recht van erfpacht eveneens met inachtneming van een opzegtermijn van een jaar zou kunnen opzeggen. Immers, artikel 166 Ow NBW bepaalt dat op een erfpacht, aangevangen vóór het tijdstip van het in werking treden van het nieuwe recht artikel 766 jo. artikel 783 BW (oud) van overeenkomstige toepassing blijft. Nu het pakhuis teniet is gegaan en dit in dit geval niet tot beëindiging van het recht van erfpacht zou hebben geleid, omdat er volgens deze opvatting geen daad van sloping is geweest, moet het ervoor worden gehouden dat in de akte van vestiging geen bijzondere bedingen of bepalingen omtrent het eindigen van het recht van erfpacht zijn gemaakt, zodat de eigenaar ingevolge genoemde bepalingen het recht kan doen beëindigen als dit meer dan 30 jaar heeft geduurd. Ook nu geldt een opzegtermijn van tenminste een jaar. Uit het enkele feit dat het recht van erfpacht voor onbepaalde tijd is gevestigd, heeft eiseres niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen afleiden dat het recht van erfpacht niet door de eigenaar opgezegd zou kunnen worden.
De uitspraak op rechtspraak.nl