Rb. Haarlem 17 november 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BO9653

Pauliana artikel 3:45 BW. Bewijswaardering. Het rechterlijk vermoeden dat de bestuurder behoorde te weten van de benadeling die het aangaan van de overeenkomst met zich meebracht kan niet ontzenuwd worden met de ingebrachte schriftelijke verklaring van de bestuurder. Daaromtrent merkt de bestuurder namelijk niets op in zijn schriftelijke verklaring. Zo kan uit de verklaring van de bestuurder niet worden opgemaakt dat voor hem als bestuurder geen aanleiding bestond om navraag te doen dan wel onderzoek te verrichten naar de achtergrond van de transactie en kan daaruit evenmin worden opgemaakt of de bestuurder daartoe is overgegaan. Met de verklaring van de bestuurder zou derhalve hoogstens het rechterlijk vermoeden dat hij van de benadeling wist kunnen worden ontzenuwd, niet het vermoeden dat hij behoorde te weten van de benadeling die het aangaan van de overeenkomst met zich meebracht. Reeds hierom staat vast dat in het onderhavige geval is voldaan aan de zogenaamde 'wetenschapseis' die geldt voor een geslaagd beroep op de Pauliana.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen