Rb. Haarlem 8 december 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BO8985
mensenhandel; in artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr is niet opgenomen dat de verdachte ‘het oogmerk van uitbuiting’ dient te hebben gehad; kennelijk bewuste keuze wetgever. Voor bewezenverklaring van mensenhandel op grond van artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr is – toegespitst op de onderhavige zaak – voldoende dat verdachte de aangevers met één of meer van de onder artikel 273f, eerste lid, sub 1 Sr genoemde middelen, waaronder misleiding, heeft bewogen zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van arbeid of diensten. Door de aangevers door misleiding ertoe te bewegen telefoonabonnementen af te sluiten en de verkregen telefoons aan haar of haar medeverdachte af te geven, heeft verdachte zich samen met een ander of anderen telkens schuldig gemaakt aan mensenhandel. De rechtbank merkt op dat de officier van justitie bij een eis van een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, – kennelijk – de ernst van de zaak anders waardeert dan de rechtbank. De rechtbank overweegt dat het onder 3, 4 en 5, telkens primair, bewezen verklaarde weliswaar telkens gekwalificeerd dient te worden als "mensenhandel”, doch dat hetgeen feitelijk is gebeurd, meer aan een vorm van oplichting doet denken. Een term die ook beter aansluit bij het dagelijks taalgebruik en de maatschappelijke perceptie van de feiten in deze strafzaak.
De uitspraak op rechtspraak.nl