Rb. Haarlem 2 september 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BN9834
Burengeschil over hoog opgeschoten coniferen. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een onrechtmatige situatie als bedoeld in artikel 5:42 BW, is van belang welke afstanden voor beplanting bij de grenslijn in de gemeente Haarlem zijn toegestaan. In artikel 12 van de Bomenverordening Haarlem is bepaald dat de geoorloofde afstand voor bomen 0,5 meter bedraagt, te rekenen vanaf het midden van de voet van de boom, en de geoorloofde afstand voor heesters en heggen nihil. Partijen verschillen van mening over de vraag of de onderhavige coniferen moeten worden gekwalificeerd als boom. Gedaagden stellen zich op het standpunt dat nu de wet zelf geen definitie geeft een boom, in dit geval de in artikel 1 van de Bomenverordening gegeven definitie gevolgd moet worden. Volgens deze definitie is sprake van een boom als de dwarsdoorsnede van de stam minimaal 20 centimeter bedraagt. Eiseres stelt echter dat de gemeente Haarlem niet de bevoegdheid heeft om een definitie te geven van een boom, nu de gemeente in artikel 5:42 BW alleen de bevoegdheid is gegeven om de toegestane afstanden tot de grenslijn te bepalen. De wetgever heeft het klaarblijkelijk aan de rechtspraak over willen laten om te bepalen wanneer sprake is van een boom. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de in artikel 1 van de Bomenverordening gegeven definitie van een boom niet in strijd komt met de bevoegdheden die de wetgever de gemeente in artikel 5:42 BW heeft gegeven, nu het mandaat het de gemeente mogelijk maakt om zowel de toegestane afstanden voor bomen als voor heesters en heggen te verkleinen tot nihil, waardoor de werking geheel aan artikel 5:42 BW kan worden ontnomen. Op grond hiervan moet het de gemeente ook zijn toegestaan in een verordening minder vergaande bepalingen dan nihilstelling op te nemen door op basis van eigen definities onderscheid te maken tussen bomen, heesters en heggen en daarvoor verschillende afstanden te bepalen. Vorenstaande brengt mee dat in dit geval de in de Bomenverordening gegeven definitie moet worden toegepast. Dit betekent dat de coniferen in dit geval geen bomen zijn, maar heesters dan wel heggen. Hiervoor geldt op grond van de Bomenverordening geen afstandsbeperking en derhalve ook geen hoogtebeperking als bedoeld in artikel 5:42 lid 3 BW. Van een onrechtmatige situatie is dan ook geen sprake. Dat de coniferen en de laurierstruik door hun hoogte anderszins onrechtmatige hinder veroorzaken, is voorts niet komen vast te staan.
De uitspraak op rechtspraak.nl