Rb. Haarlem 27 augustus 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BN8276
Verweerders hebben een opeisbare vordering op verzoekers. Verzoekers stellen dat zij een vordering hebben op verweerders en willen ter verzekering daarvan onder zichzelf beslag leggen op hetgeen zij aan verweerders verschuldigd zijn. De voorzieningenrechter acht de vordering van verzoekers voldoende deugdelijk om verlof te verlenen voor beslaglegging. Als verzoekers onder zichzelf beslag leggen bestaat het risico dat, indien zij failleren, verweerders hun vordering niet betaald krijgen. Ook valt niet geheel uit te sluiten dat de vordering van verzoekers naderhand ondeugdelijk zal blijken. In verband met deze risico's verbindt de voorzieningenrechter aan het beslagverlof op de voet van artikel 701 Rv. de voorwaarde dat verzoekers zekerheid stellen in de vorm van een bankgarantie conform het Rotterdams model. De zekerheid dient te worden gesteld voor hetgeen verzoekers aan verweerders verschuldigd zijn, onder aftrek van hetgeen daarop inmiddels is betaald en voorts onder aftrek van het door verweerders erkende gedeelte van de vordering van verzoekers.
De uitspraak op rechtspraak.nl