Rb. Haarlem 4 december 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BL9675
De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging, omdat het postpakket dat betrekking heeft op het onder 2 ten laste gelegde feit voor nader onderzoek is geopend zonder dat hiertoe een machtiging van de rechter-commissaris was verleend. De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt dat artikel 2, lid 1, aanhef en onder a, van de Postwet bepaalt dat onder een brief wordt verstaan de op een fysieke drager aangebrachte geadresseerde schriftelijke mededelingen. Artikel 2, lid 1, aanhef en onder b, van de Postwet bepaalt dat onder poststuk wordt verstaan een brief of een ander bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geadresseerd stuk. Bij artikel 2, aanhef en onder a, van het Postbesluit 2009 is een postpakket aangewezen als een ander geadresseerd stuk. Er wordt in de Postwet derhalve onderscheid gemaakt tussen een brief en een ander poststuk, zoals een postpakket. Het briefgeheim als bedoeld in artikel 13 van Grondwet heeft betrekking op brieven en strekt zich in beginsel niet uit tot andere poststukken, zoals postpakketten. Nu het aan verdachte geadresseerde stuk geen brief betreft maar een ander geadresseerd stuk is, namelijk een postpakket, is het briefgeheim hierop niet van toepassing en was voor het openen van het postpakket naar het oordeel van de rechtbank geen machtiging vereist van de rechter-commissaris. Er is dan ook geen sprake van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a van het Wetboek van Strafvordering, zodat van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte voor het onder 2 ten laste gelegde feit op deze grond geen sprake is.
De uitspraak op rechtspraak.nl