Rb. Haarlem 10 december 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BK6959

enkelvoudige raadkamer, artikel 89, artikel 245 jo. 245a, ontvankelijkheid, kennisgeving niet verdere vervolging, sepotbeslissing, afwijzing verzoek; gronden van billijkheid, zwijgrecht De rechtbank is van oordeel dat de per brief verzonden mededeling aan de raadsman van verzoekster aangemerkt kan worden als een kennisgeving van niet verdere vervolging. De rechtbank stelt vervolgens vast dat deze kennisgeving niet volgens de wettelijke vereisten aan verzoekster is betekend. De rechtbank volgt verzoekster echter niet in haar standpunt dat de zaak tegen verzoekster reeds hierom niet geëindigd is. De rechtbank volgt verzoekster evenmin in haar standpunt dat de termijn waarbinnen een verzoek op grond van artikel 89 Sv moet worden ingediend eerst een aanvang neemt nadat betekening van de kennisgeving van niet verdere vervolging aan de gewezen verdachte heeft plaatsgevonden. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen (LJN BI2483), neemt bedoelde termijn een aanvang als vastgesteld kan worden dat een gewezen verdachte van die kennisgeving op de hoogte is gekomen. De rechtbank kan niet vaststellen dat er in de periode van mei 2008 tot september 2009 contact is geweest tussen de raadsman en verzoekster en dat de raadsman in die periode verzoekster vertegenwoordigde. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, kan dit, gelet op de verstreken periode na de beëindiging van de voorlopige hechtenis in 2005, niet zonder meer uit de in 2008 door de raadsman aan het openbaar ministerie gerichte verzoeken om informatie over de stand van zaken worden afgeleid. In een dergelijke situatie kan de mededeling aan de raadsman, ontvangen op of omstreeks 4 juli 2008, naar het oordeel van de rechtbank niet gelijkgesteld worden met een mededeling aan de gewezen verdachte. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verzoekster eerst kort voor 2 september 2009 op de hoogte is geraakt van de kennisgeving van niet verdere vervolging. Uit het voorgaande volgt dat het op 2 september 2009 ingediende verzoekschrift binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend. Verzoekster is dan ook ontvankelijk in haar verzoek. Nu verzoekster zich, na voornoemde eerste korte en algemene verklaring, vervolgens in haar verdere verhoren op haar zwijgrecht heeft beroepen, heeft de politie meer tijd nodig gehad de verdenking die tegen verzoekster bestond te onderzoeken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verzoekster de toepassing en voortduring van de vrijheidsbeneming in overwegende mate aan zichzelf te wijten heeft gehad. Een verdachte heeft het recht zich in zijn of haar strafzaak op zijn/haar zwijgrecht beroepen, omdat hij of zij niet aan zijn of haar eigen veroordeling behoeft mee te werken. Dit laat, anders dan de raadsman heeft betoogd, echter onverlet dat de proceshouding van verzoekster een factor is die meeweegt bij de in het kader van de onderhavige procedure te verrichten beoordeling of er, alle omstandigheden in aanmerking nemend, gronden van billijkheid zijn een vergoeding toe te kennen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen