Rb. Haarlem 23 oktober 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BK4956

douanewet, drugs, cautie, rechtmatigheid verkregen bewijs De meervoudige strafkamer van de rechtbank op schiphol heeft verdachte veroordeeld wegens overtreding van artikel 2, onder A, van de Opiumwet tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden. Het verweer dat de cautie niet tijdig is gegeven, gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op, aangezien het gesprek met verdachte plaatsvond in het kader van een op de Algemene douanewet gebaseerde controle en op dat moment was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit nog geen sprake. Pas op het moment dat bij nader onderzoek van de sportbroeken een witte op cocaïne gelijkende substantie werd aangetroffen, was van een verdenking in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering sprake. Verdachte is toen ook direct medegedeeld dat zij niet tot antwoorden is verplicht. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte tijdig de cautie is gegeven. Ten aanzien van de rechtmatigheid van het verkregen bewijs overweegt de rechtbank dat vaststaat dat verdachte is onderworpen aan een lijfsvisitatie in de zin van de Algemene douanewet voordat zij als verdachte is aangehouden. Dit betekent dat artikel 56 van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is. Het onderzoek dat in dit geval door de douaneambtenaren is uitgevoerd was een onderzoek aan de kleding van verdachte. Verdachte heeft zelf haar sportbroeken uitgetrokken. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek rechtmatig heeft plaatsgevonden. Derhalve is geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen