Rb. Haarlem 4 november 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BK4826
Incidenteel vonnis. Vordering tot onbevoegdverklaring. De verbintenis die eiseres aan haar vorderingen in de hoofdzaak ten grondslag legt betreft in essentie de door gedaagde uit hoofde van de tussen partijen geldende (duur)overeenkomst(en) te verrichten betalingen en niet de (af)levering van goederen door eiseres aan gedaagde. Gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd moet het er voor worden gehouden dat partijen niet zijn overeengekomen waar de zaken geleverd werden c.q. hadden moeten worden. Dat betekent dat gedaagde ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en sub c jo. sub a EEX-Verordening kan worden gedagvaard voor het gerecht van de plaats waar de betalingen hadden moeten plaatsvinden. Nu partijen bij overeenkomst niet anders zijn overeengekomen, diende gedaagde op grond van artikel 57 Weens Koopverdrag eiseres ter plaatse van diens vestigingsplaats, zijnde Badhoevedorp, te betalen. De rechtbank te Haarlem is daarom bevoegd.
De uitspraak op rechtspraak.nl