Rb. Haarlem 5 augustus 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ6487

Opheffing beslag, beslagverlof verleend door een relatief onbevoegde rechter, artikel 21 Rv, ondeugdelijke vordering, bevoegdheid tot inning verpande vordering. Eiseres vordert opheffing van alle door gedaagde ten laste van eiseres gelegde beslagen. Eiseres heeft onder meer gesteld dat de beslagen zijn gelegd ter verzekering van een ondeugdelijke vordering nu op elke factuur, waarop de door gedaagde gestelde vordering berust, staat vermeld dat de facturen wegens verpanding uitsluitend bevrijdend betaald kunnen worden aan de bank. Gelet op deze mededeling ligt de inningsbevoegdheid volgens eiseres bij de pandhouder en niet bij gedaagde. Een beslagverlof dat verleend is door een relatief onbevoegde rechter leidt op zichzelf niet tot nietigheid van de krachtens dat verlof gelegde beslagen. Onder omstandigheden kan er wel aanleiding bestaan de beslagen op die grond op te heffen. Voor het antwoord op de vraag naar de inningsbevoegdheid is doorslaggevend of er mededeling van het pandrecht aan de schuldenaar heeft plaatsgevonden. Op grond van artikel 3:246 lid 1 BW heeft de pandhouder met uitsluiting van de pandgever de bevoegdheid om in en buiten rechte nakoming van de vordering te eisen en betalingen in ontvangst te nemen, indien het pandrecht aan de schuldenaar is medegedeeld. Indien er geen mededeling heeft plaatsgevonden blijft deze bevoegdheid bij de pandgever. Nu gedaagde op al haar facturen aan eiseres mededeling van het pandrecht heeft gedaan, is de pandhouder met uitsluiting van gedaagde bevoegd om in en buiten rechte betaling van de facturen te vorderen. Dit leidt tot de conclusie dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht is gebleken. Dat dient op grond van artikel 705 lid 2 Rv tot opheffing van de beslagen te leiden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen