Rb. Haarlem 16 juli 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ2959
Vordering in kort geding van telecomtoezichthouder OPTA om telecomaanbieder Pretium te verbieden bij telefonische verkoopgesprekken misbruik te maken van haar naam als onafhankelijk toezichthouder. De vordering van Pretium in reconventie om de OPTA te verbieden om bij haar vordering een ambtsbericht van de Consumentenautoriteit te gebruiken wordt afgewezen. De OPTA heeft dit ambtsbericht rechtmatig verkregen en mag daarvan in deze civielrechtelijke procedure gebruik maken, omdat het voorkomen van misbruik van haar naam valt aan te merken als uitvoering van haar taken. In het ambtsbericht zijn delen geciteerd van telefonische verkoopgesprekken door callcentermedewerkers uit naam van Pretium waarin de naam van de OPTA wordt genoemd. Deze citaten zijn op zijn minst suggestief ten aanzien van de rol van de OPTA als telecomtoezichthouder en de rol die zij volgens de betreffende callcentermedewerkers zou hebben gespeeld bij het vrijgeven van het netwerk en verlaging van de telefoonkosten. Deze werkwijze valt voorshands aan te merken als misleidende handelspraktijk in de zin van artikel 6:193g sub d BW en is derhalve onrechtmatig. De voorzieningenrechter bepaalt dat Pretium zich dient te onthouden van enige uitlating en/of suggestie inhoudende dat de OPTA namens Pretium enige bemoeienis heeft (gehad) bij het aanbieden van diensten door Pretium of bij het vaststellen van de tarieven van Pretium. De gevorderde rectificatie wordt afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl