Rb. Haarlem 23 april 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BI2826

Kort geding, rechtsmacht Nederlandse rechter, artikel 1:81 en 1:84 BW. Eiseres en gedaagde zijn in 2005 in Brazilië met elkaar gehuwd. De vrouw heeft de Braziliaanse nationaliteit. De man heeft de Nederlandse nationaliteit. Partijen hebben na de huwelijksvoltrekking enige tijd in Nederland gewoond. In juli 2007 hebben partijen zich uitgeschreven uit Nederland. De man is thans door zijn huidige werkgever gestationeerd in Singapore waar hij ook woont. De vrouw woont sinds 13 november 2008 weer in Nederland. De vrouw kan nog geen echtscheiding in Nederland vragen nu zij minder dat één jaar in Nederland woont. Thans vordert de vrouw in kort geding onder meer een maandelijkse vergoeding om in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien op grond van artikel 1:81 en 1:84 BW. De man is primair in de procedure verschenen om de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te betwisten. Nu er geen verdragen of verordeningen van toepassing zijn, dient aan de hand van de commune bevoegdheidsregels, neergelegd in Rv, beoordeeld te worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat hem geen rechtmacht toekomt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen