Rb. Haarlem 24 oktober 2008, ECLI:NL:RBHAA:2008:BG1524

Geweld aan boord van een vliegtuig; mishandeling; artikel 385b Sr. Verdachte heeft opzettelijk een daad van geweld begaan tegen zowel leden van het cabinepersoneel als tegen zijn medepassagiers. De rechtbank is van oordeel dat gevaar voor het luchtvaartuig te duchten is geweest. Daarbij gaat de rechtbank er vanuit dat onder het beschermde belang van artikel 385 lid 1 sub 1° mede wordt begrepen de veiligheid van de zich in het vliegtuig bevindende passagiers. Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat verdachte de tenlastegelegde feiten niet kan worden verweten. Zakelijk weergegeven voert de raadsman daartoe aan, dat verdachte niet toerekeningsvatbaar is, aangezien hem niet kan worden verweten de situatie ten gevolge van het eten van een groot deel van plak spacecake zelf in het leven te hebben geroepen dan wel dat hij onder invloed van zijn medicijnen zo heeft gehandeld. Met betrekking tot het eerste door de raadsman naar voren gebrachte argument, te weten het eten van de spacecake, overweegt de rechtbank dat verdachte zelf deze situatie in het leven heeft geroepen door het eten van deze cake. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht blijkt dat de wetgever de gevallen van zelfintoxicatie niet onder de werking van ontoerekeningsvatbaarheid heeft willen brengen. De strafrechtelijke regels en beginselen van gedrag blijven dan ook van toepassing na het eten van (een deel van) een plak spacecake. Voorts is met betrekking tot de spacecake aangevoerd dat verdachte kort voor het eten hiervan van medicijnen – te weten HIV-remmers – is veranderd en dientengevolge niet wist van de eventuele bijwerking van deze medicijnen in combinatie met verdovende middelen, in casu een spacecake. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte extra voorzichtigheid had dienen te betrachten en niet – zoals door de raadsman bepleit – dat daardoor de ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte in beeld komt. Hier doet niet aan af de door de raadsman overgelegde print-out van de website van de HIV Vereniging Nederland, waaruit blijkt dat ‘er geen interacties [lijken] te bestaan tussen cannabis en hiv-remmers’. Het betreft slechts een algemene constatering en kan niet direct op verdachte worden betrokken. De rechtbank overweegt voorts, met betrekking tot het tweede door de raadsman opgeworpen verweer, dat het oordeel of verdachte al dan niet ontoerekeningsvatbaar is, een medisch oordeel is dat direct betrekking dient te hebben op het handelen van verdachte ten tijde van een tenlastegelegde feit. De raadsman van verdachte heeft een brief van 18 september 2008 overgelegd van het ‘St Thomas’ Hospital’-ziekenhuis in Londen, waaruit blijkt dat ‘het bekend [is] dat de antiretrovirale geneesmiddelen die de heer [verdachte] sinds april 2008 gebruikte, bijwerkingen hebben op het centraal zenuwstelsel en de stemming en het gedrag kunnen beïnvloeden.’ Deze – wederom algemeen gestelde – opmerking voldoet niet aan het eerder genoemde criterium en kan zodoende niet dienen als onderbouwing van de ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Nu het medische oordeel dat verdachte ontoerekeningsvatbaar zou zijn ten tijde van het hem tenlastegelegde feiten niet voldoende onderbouwd is, wordt dit verweer verworpen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen