Rb. Haarlem 6 februari 2008, ECLI:NL:RBHAA:2008:BC4912

Erfgenamen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. Uit artikel 4:123 BW volgt dat de verbintenissen uit het legaat slechts kunnen worden gewijzigd of opgeheven op grond van na het overlijden van erflater ingetreden omstandigheden welke van dien aard zijn, dat de legataris geen ongewijzigde instandhouding van het legaat mag verwachten. De enkele omstandigheid dat de erfgenamen op grond van de verhalen en de houding van de erflater in de veronderstelling verkeerden dat de nalatenschap uit enkele miljoenen Euro’s zou bestaan is niet een na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheid, maar komt voor eigen rekening en risico van de erfgenamen. Ook het feit dat de minnelijke waardering onjuist zou zijn is niet een onvoorziene omstandigheid als hiervoor bedoeld. De erfgenamen hebben immers (al dan niet via door hen ingeschakelde derden) zelf de hand gehad in de minnelijke waardering. De waardevermindering van de effecten door tijdsverloop komt voor rekening en risico van de erfgenamen, omdat zij het tijdstip van verkoop hebben bepaald. Het verweer dat de erfgenamen onvoldoende inkomen hebben kan evenmin leiden tot opheffing of wijziging van het legaat. Dit is immers niet een na het overlijden van erflater ingetreden omstandigheid als bedoeld in artikel 4:123 BW.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen