Rb. Haarlem 25 april 2007, ECLI:NL:RBHAA:2007:BC2853
Verdeling nalatenschap tussen twee dochters en een zoon van erflater waarin onder meer een hoeve die was verpacht aan de zoon van erflater. Erflater heeft de dochters en de zoon tot erfgenamen benoemd, de zoon voor een gedeelte ter grootte van zijn legitieme portie. Met betrekking tot de verdeling van de nalatenschap hebben de dochters gesteld dat de zoon aanzienlijke voordelen ten deel zijn gevallen die op zijn erfdeel moeten worden ingekort. Dit betoog slaagt niet. Erflater heeft immers in zijn eerste testament zijn erfgenamen vrijgesteld van de verplichting tot inbreng, tenzij en voor zover bij enige schenking anders is bepaald. Deze vrijstelling van inbreng heeft erflater in zijn tweede testament, waarin hij het erfdeel van de zoon heeft beperkt tot de waarde van diens legitieme portie, niet herroepen. Er is niet gesteld en ook niet gebleken dat erflater ten aanzien van de door de dochters gestelde bevoordelingen heeft bepaald dat deze in de nalatenschap moeten worden ingebracht. De dochters hebben zich nog op het standpunt gesteld dat de bevoordeling van de zoon moet worden toegerekend op zijn legitieme portie als bedoeld in artikel 4:70 e.v. BW. Dit standpunt wordt verworpen aangezien de zoon door erflater niet in de legitieme is gesteld, maar tot erfgenaam is benoemd voor een erfdeel gelijk aan de waarde van zijn legitieme portie.
De uitspraak op rechtspraak.nl