Rb. Haarlem 29 augustus 2007, ECLI:NL:RBHAA:2007:BB2589
Eisers zijn (vertegenwoordigers van) luchtvaartagenten en gedaagden zijn luchtvaartmaatschappijen. De kwestie is of over de zogenaamde PSC (Passengers Service Charge), dat is een toeslag die reizigers dienen te betalen voor luchthavenfaciliteiten, provisie aan de luchtvaartagenten toekomt. Voor 1 januari 1997 werd de PSC niet apart op vliegtickets vermeld en werd (dus) - is de stelling van eisers - commissie betaald ook over de PSC. Vanaf genoemde datum wordt die PSC wel apart vermeld en hebben de luchtvaartmaatschappijen die PSC ook niet meer in aanmerking genomen voor de berekening van de commissie. De rechtsverhouding tussen eisers en gedaagden wordt beheerst door de regels van de agentuurovereenkomst en - voor zover aangesloten bij de IATA - door IATA regels. Eisers stellen dat de luchtvaartmaatschappijen door zo te handelen eenzijdig de agentuurovereenkomst wijzigen, hetgeen niet mag. Eisers vorderen (onder andere) te verklaren voor recht dat de Passenger Service Charge ook na 1 januari 1997 deel uitmaakt van de grondslag voor de berekening van de door gedaagden aan de IATA-agenten verschuldigde commissie. De kantonrechter is van oordeel dat, omdat de PSC voor 1 januari 1997 onderdeel uitmaakte van de “fare”, ingevolge de agentuurregelgeving een dergelijk onderdeel van de commissie niet eenzijdig uit de vergoeding van de agent kan worden gehaald, zodat daarover ook commissie verschuldigd is.
De uitspraak op rechtspraak.nl