Rb. Haarlem 4 juli 2007, ECLI:NL:RBHAA:2007:BA9716
1. De raadsman van verdachte heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging omdat het openbaar ministerie gehandeld heeft in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. (...) Het openbaar ministerie misbruik gemaakt van zijn in artikel 56 Sv neergelegde bevoegdheid. De officier van justitie heeft dit dwangmiddel in het voorliggende geval dan ook op juiste grond toegepast en, anders dan de verdediging stelt, geen misbruik gemaakt van de bevoegdheid neergelegd in artikel 56 Sv. Het verweer van de raadsman strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie, wordt dan ook verworpen. 2. De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem tenlastegelegde, omdat de aanhouding onrechtmatig is geschied en mitsdien ook het daarna verkregen bewijs onrechtmatig is verkregen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de aangekruiste slikkerscriteria onvoldoende verdenking opleveren van het strafbare feit waarvoor verdachte is aangehouden. De politierechter is van oordeel dat deze criteria (...) voldoende grond bood voor verdenking van en aanhouding ter zake van overtreding van artikel 2 van de Opiumwet. Nu de aanhouding van verdachte rechtmatig wordt geacht, verwerpt de politierechter tevens het verweer van de raadsman dat het uit de aanhouding verkregen bewijsmateriaal onrechtmatig is.
De uitspraak op rechtspraak.nl