Rb. Haarlem 28 februari 2007, ECLI:NL:RBHAA:2007:AZ9815
Bevoegdheid tot vernietiging van vaststellingsovereenkomst vervallen door bevestiging. Uitleg vaststellingsovereenkomst bij vordering tot nakoming. Eiseres heeft aangevoerd dat zij de schikkingsovereenkomst onder de werking van bedreiging, bedrog en misbruik van omstandigheden door gedaagde heeft ondertekend. Onvoldoende is echter gesteld of gebleken dat de invloed van de door haar genoemde wilsgebreken, wat daar verder ook van zij, nog werkte gedurende de periode vanaf de ondertekening tot aan de comparitie van partijen, binnen welke periode eiseres herhaaldelijk heeft aangedrongen op nakoming van de schikkingsovereenkomst. Het wordt ervoor gehouden dat eiseres met de hiervoor onder 2.5 aangehaalde brief, doch in elk geval met de hiervoor onder 2.6 aangehaalde faxbrief, de schikkingsovereenkomst heeft bevestigd in de in artikel 3:55 BW bedoelde zin, zodat een recht op vernietiging haar niet langer toekwam. Nu de schikkingsovereenkomst tussen partijen nog van kracht is, dient te worden vastgesteld welke verplichtingen worden geacht onderwerp te zijn van de schikkingsovereenkomst. Daarbij is niet de letterlijke tekst leidend, maar komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de schikkingsovereenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De rechtbank zal bij haar overwegingen enerzijds de uitleg als verwoord in de vordering van eiseres, die is te beschouwen als een invulling van de overeenkomst volgens het hiervoor bedoelde Haviltex-criterium, als uitgangspunt nemen en anderzijds betrekken de omstandigheid dat partijen thans vonnis hebben gevraagd Een veroordeling bij vonnis tot medewerking aan het royement van de procedure draagt een paradox in zich. Immers: zodra vonnis is gewezen is royement niet langer aan de orde. Nu beide partijen vonnis hebben gevraagd, begrijpt de rechtbank de schikkingsovereenkomst aldus, dat de verplichting van gedaagde om zijn medewerking aan het royement te verlenen hiermee niet (langer) is beoogd.
De uitspraak op rechtspraak.nl