Rb. Haarlem 20 februari 2007, ECLI:NL:RBHAA:2007:AZ8975
Bepalend voor het oordeel of koolfilteraarde aan te merken is als een meststof en daarmee niet is te kwalificeren als afvalstof in de zin van de Wet milieubeheer, is de intentie van de producent van de koolfilteraarde. Naar het oordeel van de economische politierechter is niet gebleken dat de producent de koolfilteraarde beoogde te produceren voor gebruik als meststof. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het door verdachte verhandelde materiaal ook moet worden aangeduid als afvalstof. Het enkele feit dat verdachte afnemers heeft gevonden die de koolfilteraarde nuttig kunnen toepassen, maakt dit oordeel niet anders. Gelet op hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen wist verdachte derhalve in ieder geval reeds sinds medio juli 2004 dat de bij voornoemd bedrijf vrijgekomen filterkoek als afvalstof werd aangemerkt en dat zij deze niet langer mocht verhandelen zonder vermelding als handelaar en/of bemiddelaar op de lijst van vervoerders, handelaars en bemiddelaars. Ook het feit dat Provinciale Staten thans een verzoek van verdachte om te bezien of de koolfilteraarde aangemerkt kan worden als niet-afvalstof in behandeling hebben, maakt niet dat het materiaal zijn karakter als afvalstof verliest. Immers, zoals getuige-deskundige [getuige-deskundige] ter zitting heeft verklaard, heeft Provinciale Staten tot op heden nog niet het standpunt ingenomen dat de koolfilteraarde kan worden aangemerkt als niet-afvalstof en is het nog maar de vraag of Provinciale Staten tot dat oordeel zullen komen, nog daargelaten de vraag wat het rechtskarakter van een dergelijk oordeel zou zijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl