Rb. Haarlem 17 augustus 2006, ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ9090

Vormverzuimen DNA-onderzoek; onrechtmatig verkregen bewijs. Naar het oordeel van de raadsman van verdachte kan niet worden vastgesteld dat de uitkomsten van het DNA-onderzoek betrouwbaar zijn en dient verdachte, nu voor het bewijs niets anders rest, te worden vrijgesproken. Vastgesteld moet worden dat het procesdossier – anders dan de genoemde bepalingen voorschrijven – geen processen-verbaal van inbeslagneming bevat, waaruit kan worden afgeleid dat aan de gestelde waarborgen is voldaan. Weliswaar bevat het dossier met betrekking tot de tenlastegelegde feiten telkens een “Proces-verbaal DNA-onderzoek”, doch deze processen-verbaal zijn niet ondertekend en bevatten geen identiteitszegel. De zich in het dossier bevindende mutaties van de technische recherche kunnen uiteraard evenmin worden beschouwd als processen-verbaal, die voldoen aan de gestelde vereisten. De voorschriften van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken strekken ertoe dat een zorgvuldige behandeling en registratie van afgenomen en inbeslaggenomen celmateriaal is gewaarborgd. Gelet hierop is de politierechter van oordeel dat de vastgestelde vormverzuimen dienen te leiden tot het oordeel dat het celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek tegen verdachte onrechtmatig is verkregen. De resultaten van het onderzoek moeten dus van het bewijs worden uitgesloten. Na deze bewijsuitsluiting kan op grond van het dossier en/of het verhandelde ter terechtzitting niet tot het oordeel worden gekomen dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte schuldig is aan het hem tenlastegelegde.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen