Rb. Haarlem 5 december 2006, ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ4200
Wanneer een AWBZ-verzekerde schade lijdt waarvoor een ander aansprakelijk is en de schade onder meer bestaat uit behoefte aan huishoudelijke hulp waarvoor de verzekerde een indicatie voor een persoonsgebonden budget (PGB) ontvangt, is deze verzekerde in het kader van zijn schadebeperkingsplicht in beginsel gehouden om van dat PGB gebruik te maken. In beginsel is de aansprakelijke persoon derhalve niet gehouden tot vergoeding van verstrekkingen die een zorgbehoevende schuldeiser zelf kan inkopen met het aan hem toegekende PGB. Van de schuldeiser kan in dergelijke omstandigheden verwacht worden dat hij zich in redelijke mate inspant om de benodigde zorg te betrekken uit de markt of uit zijn vriendenkring en deze te betalen met het PGB. Indien uiteindelijk geen zorg wordt ingekocht met het PGB, zal het zorgkantoor dat terugvorderen. Wanneer de zorgbehoevende aannemelijk maakt dat hij er buiten zijn schuld niet in is geslaagd om zorg in te kopen, is de schadebeperkingsplicht in zoverre uitgewerkt. De verplichting van een schuldeiser om zijn schade te beperken gaat niet zo ver dat hij, wanneer aannemelijk zou zijn dat hij het PGB buiten zijn schuld niet kan aanwenden, in plaats daarvan onbeperkt en zonder vergoeding gebruik moet maken van de huishoudelijke diensten van zijn partner.
De uitspraak op rechtspraak.nl