Rb. Haarlem 14 november 2006, ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ2926

Art. 6 WVW1994. De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het primair ten laste gelegde feit niet bewezen verklaard kan worden omdat naar zijn mening - kort weergegeven - verdachte geen verwijt valt te maken ten aanzien van de afstelling van de doblispiegel (dodehoekspiegel), verdachte niet te hard heeft gereden, en het ongeval een noodlottige samenloop van omstandigheden betreft waarbij niet verdachte, maar veeleer het slachtoffer onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank deelt deze zienswijze niet en is van oordeel dat het verkeersongeval waarbij verdachte betrokken is geweest aan zijn schuld is te wijten. Verdachte was bezig met het uitvoeren van een bijzondere manoeuvre toen hij rechts afsloeg de Zandvoorter Allee in. Gedurende deze manoeuvre had verdachte heel alert moeten zijn op de mogelijke aanwezigheid van andere weggebruikers en met name op rechtdoorgaande fietsers op het langs de Zandvoortselaan liggende fietspad. Verdachte had gedurende de gehele manoeuvre in alle spiegels moeten (blijven) kijken, zodanig dat hij er zeker van was dat zich geen fietsers op het fietspad bevonden die hij zou kunnen aanrijden als hij de ingezette bocht zou vervolgen. Zonodig had verdachte daartoe zijn vrachtauto tot stilstand moeten brengen. Dat geldt temeer nu het zichtveld van de dodehoekspiegel beperkt was doordat deze werd afgedekt door de kap van een andere spiegel. Dat verdachte een en ander niet heeft gedaan blijkt uit de VerkeersOngevalsAnalyse, het procesverbaal tachograafschijf- onderzoek en de verklaring van getuige Hessels. In de VerkeersOngevalsAnalyse is vermeld: “Uit dit ingestelde onderzoek naar de spiegelzichtvelden is verder duidelijk geworden dat de bestuurder van de betrokken bedrijfsauto, te allen tijde, middels de rechterbuitenspiegel of via de breedte- of volgspiegel, danwel via de dodehoekspiegel, of een combinatie van deze spiegels, nagenoeg volledig zicht gehad moet hebben op het zich rechts naast en achter hem gelegen fietspad van de Zandvoortselaan”. In het procesverbaal tachograafschijf-onderzoek is vermeld: “Het meest aannemelijke ongevalsverloop is dat de vrachtauto optrok naar 20 km/u, na een stilstand of bijna stilstand van ongeveer 4 seconden vanaf de voetgangersoversteekplaats op de Zandvoortselaan en daarna rechtsaf sloeg, de Zandvoorter Allee in. De vrachtauto stopte in dit geval niet bij het kruisen van het fietspad, maar kwam na het ongeval tot stilstand op zijn aangetroffen eindpositie”. Blijkens de verklaring van getuige Hessels fietste het slachtoffer op het fietspad, kwamen het slachtoffer op de fiets en de vrachtauto nagenoeg gelijk ter plaatse op de kruising en heeft verdachte niet stilgestaan voordat hij naar rechts afsloeg. Daargelaten de afstelling van de doblispiegel, had verdachte het slachtoffer, wat haar snelheid ook is geweest, derhalve kunnen en moeten zien en had verdachte haar voorrang moeten verlenen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen