Rb. Haarlem 5 oktober 2006, ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ2924

Interpretatie art. 31 lid 1 Vluchtelingenverdrag. Verdachte heeft bekend dat hij Nederland is ingereisd met een vervalst paspoort. De raadsman van verdachte heeft, onder inroeping van artikel 31 lid 1 van het Vluchtelingenverdrag, aangevoerd dat verdachte terzake van deze overtreding van artikel 231 Sr een beroep toekomt op een rechtvaardigingsgrond en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De stelling van de officier van justitie dat artikel 31 lid 1 Vluchtelingenverdrag uitsluitend ziet op gevallen waarin de vluchteling niet over de noodzakelijke documenten beschikt en niet van toepassing is indien de vluchteling gebruik heeft gemaakt van (ver)vals(t)e documenten, verwerpt de politierechter. Gelet op de kennelijke bedoeling van artikel 31 lid 1 Vluchtelingenverdrag is een dergelijk onderscheid – gelet ook op de verstrekkende gevolgen ervan – niet gerechtvaardigd te achten. Daarbij is tevens acht geslagen op het feit dat volgens de Vreemdelingencirculaire niet alleen het ontbreken van grensoverschrijdingsdocumenten een asielzoeker niet wordt tegengeworpen mits hij zich uiterlijk binnen 48 uur als asielzoeker heeft gemeld, maar ook dat een vreemdeling zich – om aan een objectieve vluchtsituatie te ontkomen – zich mag bedienen van vervalste of verkeerde bescheiden, mits hij dat onmiddellijk te kennen geeft aan de autoriteiten (waarbij de politierechter onder ‘onmiddellijk’ verstaat: binnen 48 uur). Dat volgt ook uit de hiervoor geciteerde tekst van de Vreemdelingencirculaire C3/11.2.3.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen