Rb. Haarlem 20 november 2006, ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ2889
De vraag die aan de orde is, is of de door de rechter-commissaris genomen beslissing tot toepassing van artikel 226d Wetboek van Strafvordering zonder de verdediging hierover te hebben gehoord, bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid heeft kunnen wekken. De wrakingskamer stelt voorop dat de beslissing ex artikel 226d Wetboek van Strafvordering, tot het schriftelijk horen van bedreigde getuigen, op basis van de wettelijke criteria genomen moet worden. Daarbij geldt dat de rechter-commissaris verantwoordelijk is voor de veiligheid van een bedreigde getuige en deze bij het nemen van een beslissing omtrent de wijze van verhoor het verdedigingsbelang dient af te wegen tegen het belang van de te waarborgen veiligheid van die bedreigde getuige. Indien het belang van het verborgen blijven van de identiteit van de bedreigde getuige het horen via telecommunicatie niet verdraagt kan de rechter-commissaris op grond van artikel 226d Wetboek van Strafvordering beslissen tot schriftelijke vraagstelling. In reactie op het verzoek van de raadsman van verzoeker tot het (nogmaals) horen van de getuigen A en C heeft de officier van justitie zich op 8 september 2006 tot de rechter-commissaris gewend met het verzoek gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 226d Wetboek van Strafvordering haar biedt en de bedreigde getuigen schriftelijk te doen horen. De rechter-commissaris heeft aangegeven dat zij, alvorens een beslissing te nemen over het door de officier van justitie gedane verzoek, een afweging heeft gemaakt tussen de verdedigingsbelangen enerzijds en het belang van de afscherming van de bedreigde getuigen anderzijds. Hierbij heeft de rechter-commissaris meegewogen het onderliggende strafdossier, het gesprek met de getuigen voorafgaand aan de statusverlening, de verhoren van de getuigen en de door de officier van justitie verstrekte informatie. Op grond van voornoemde informatie heeft de rechter-commissaris besloten de bedreigde getuigen via schriftelijke vraagstelling te horen. De wrakingskamer is van oordeel dat de totstandkoming van de gewraakte beslissing geen grond geeft voor de slotsom dat een objectief gerechtvaardigde vrees zou kunnen bestaan dat de rechter-commissaris niet onpartijdig tegenover verzoeker zou staan.
De uitspraak op rechtspraak.nl